Dat de wind door je haren strijkt.
Dat je wakker wordt van het gefluit
van de vogels op het dak.
Kan het niet vaker lente zijn?
Ja, het kan vaker.
Alles is mogelijk hier in Twente,
ook een nieuwe lente.

Vier jaar lang wachten mensen gemiddeld voordat ze zich melden aan het loket van de gemeente om wat aan hun schulden te doen. Vier jaar waarin de schuld oploopt tot zo’n 40.000 euro, de stress voortdurend aanwezig is en het handelend vermogen door die stress afneemt.
Daarmee begon het gesprek vrijdagochtend in De Alchemist in Utrecht. Uitgenodigd door Divosa zaten we met ongeveer vijftig beleidsambtenaren, schuldhulpverleners en ervaringsdeskundigen bij elkaar voor een discussie over het rapport: Open Deur? De ombudsman doet daarin verslag over de toegang tot de schuldhulpverlening. Mijn gemeente is één van de onderzochte gemeenten.
Niemand is tegen de aanbevelingen die de ombudsman daarin doet:
Zet meer deuren open
Iedereen die eindelijk zo ver is dat hij om hulp vraagt, verdient de aandacht van de gemeente. Toch is het in de praktijk wel lastig om dat allemaal goed te organiseren. We werpen onbedoeld drempels op. Gemeentelijke websites kunnen veel beter worden ingericht. Niet iedereen weet de weg op het internet, informatie moet dus op verschillende manieren beschikbaar zijn, op scholen, in de wachtkamer van de dokter. We werpen veel drempels op door meteen formulieren te laten invullen en te verwachten dat degene die om hulp vraagt zijn of haar administratie op orde heeft. Niet iedereen krijgt een eerlijke kans, mensen die een onderneming hebben, ook ZZP-ers, worden door veel gemeenten uitgesloten. De regels die we hanteren, stammen nog uit de tijd dat goldt: Eigen schuld, dikke bult. We zetten nu vraagtekens bij de zelfredzaamheid van een belangrijk deel van onze inwoners.
Schouders eronder
Maar, het inzicht, dat we niet van iedereen voldoende zelfredzaamheid kunnen verwachten, helpt wel bij het bedenken van slimmere manieren om ons werk te doen. Dat kan al met kleine dingen. Bijvoorbeeld door minder streng te zijn in onze brieven. We kunnen meer rekening houden met laaggeletterdheid en beperkte verstandelijke vermogens. Het niet ingewikkelder maken dan nodig, een boekhouder inhuren voor een ZZP-er kan wonderen verrichtten. In vijf uur tijd is de basis weer op orde. De grotere dingen vragen een langere adem. Daarom hebben landelijke organisatie de krachten gebundeld in een speciaal programma om gemeenten te ondersteunen: Schouders eronder. Leren, onderzoek doen en uitwisseling van ervaringen zijn bij elkaar gebracht om de schuldhulp effectiever te maken.
Het gaat niet snel want ik kom van alles tegen. Ik gooi ook niet veel weg. Het meeste belandt op de stapel:
Nog over nadenken
Maar toch, ik ben aan het opruimen. Ik heb namelijk ruimte nodig in mijn werkkamer om mijn coach praktijk te starten. Over pas iets meer dan een jaar. Ik ken mezelf. Vier grote tekeningen op flip-over vellen. Ik was ze totaal vergeten.
Wat ga ik er meedoen?
Weggooien is geen optie, het is een stukje van mezelf. Ophangen is ook geen optie, ze zijn erg groot en er zitten vouwen in van het jarenlang opgeborgen zijn. Ik ga er een nieuw kunstwerk van maken. De mooiste stukjes geef ik daarop een plek. De eerste tekening herinnering ik mij nog goed.
Verbeeld je nest en hoe je daar uit weggevlogen bent
Dat was tijdens een training persoonlijke ontwikkeling. Je ziet een kleurrijke vogel met grote verbaasde ogen, krachtig en een tikkeltje aan de zware kant. Zo zag ik mezelf. In de verte zie je nog het nest met ongeveer dezelfde koppies. Zelfverzekerd vlieg ik weg, alleen:
Ik heb geen landingsgestel!
De tweede stelt een soort levenslijn voor, met rode stippen om te markeren dat er iets belangrijks gebeurde, wat weet ik niet meer. Ik hoop alleen dat ik daarop niet mijn toekomst heb weergegeven want de lijn gaat na een hoogtepunt alleen maar naar beneden.Op de derde tekening zie je een landelijk huisje in het groen achter een flinke heuvel. Of is het een duin want op de voorgrond ligt een stevig anker. Zou best kunnen want die vogels in de lucht lijken meeuwen. In het huisje zou ik graag willen wonen als ik later groot ben.
Dat wil ik nog steeds
Wat de laatste tekening moet voorstellen, ik weet het niet. Je ziet een desolaat landschap. Een beetje zoals Marten Toonder die tekent. Rechtsonder zie je een soort gebraden haantje, maar volgens mij moet dat een boomstronk voorstellen. Rechtsboven is een kerk te zien. Of is het een stadspoort? Misschien dacht ik aan de lange wandeling omhoog naar Orvieto tijdens onze vakantie in Umbrië. De foto’s liggen hier ook nog ergens opgeborgen.
Lijkt me beter dat ik die er nu niet bij ga zoeken.
Zo twaalf stukjes bewaard en de rest ligt bij het oud papier. Wat nu? Ik heb maar één zwart vel fotokarton gekocht, daar moet het allemaal op passen. Kan ik gelijk mijn verleden rechtzetten. Eindelijk ben ik veilig gelanden mijn levenslijn loopt omhoog. Ik maak er gelijk maar een gouden lijstje om.
Ik raad het iedereen aan: opruimen is goed voor je humeur
Met bus 47 komt Egbert aan op het plein voor de kerk. Hij kijkt om zich heen op zoek naar een herkenningspunt. Zijn school, die van de broeders staat er niet meer. Jaren geleden werd de school gesloopt om plaats te maken voor een verzorgingstehuis. Het beeld van Sint-Jozef, de timmerman, heeft een plek gekregen bij de ingang. Aan de andere kant van de kerk is nog steeds de garage van Verdaasdonk. Hij steekt het plein over om in de etalage te kijken. Wat hebben hij en zijn vriendje Kees hier vaak staan kijken en gedroomd van hun autotochten in de bergen en langs de Middellandse zee.
In de etalage staat nu een blauwe Ford Anglia te pronken.
Egbert denkt nu meteen terug aan die zomervakantie dat zijn oom en tante helemaal uit Alkmaar waren komen aanrijden in hun nieuwe Ford Anglia. Dat was een reis van bijna een halve dag. Oom en tante bleven daarom een nachtje logeren. De auto werd op het pad naast het huis geparkeerd. Samen met zijn vriendje Kees bewonderde hij de auto van alle kanten. Hij moest even grinniken. De portieren van de auto waren niet afgesloten. Dus gingen ze samen in de auto zitten, hij achter het stuur en Kees naast hem.
In gedachten waren ze al op weg naar Nice.
Toen voelde hij dat er een sleutel in het slot onder het stuur zat. Hij draaide er aan en prompt begon de motor te lopen. Hij had zijn oom en vader nog nooit zo snel het huis uit zien rennen. Ze sleurden hem vanachter het stuur vandaan. Voor straf werd hij voor de rest van de dag naar zijn kamertje gestuurd en mocht een week lang niet bij Kees spelen. Hij schudt de herinnering van zich af. Hiervoor is hij niet in zijn geboorteplaats. Hij gaat op condoleance bezoek bij de weduwe van zijn oude schoolvriend. Egbert loopt verder het dorp in en bedenkt dat hij een mooi verhaal heeft om met haar te delen.
photo credit: Plbmak, Anglia-07 via photopin.com, creativecommons
Het stuk pizza bij Victor thuis gisteravond is het laatste dat ik gegeten heb. Dat merk ik nu ik veilig in het huis van tante ben. Ik loop naar de keuken om wat te eten te zoeken. Victor zal ook wel honger . Ik grijp de deur vast als ik een man zie opstaan vanachter de keukentafel. Wat doet die hier in de keuken van tante?
‘Je hoeft niet bang te zijn Mara.”
Hoe kan hij mijn naam weten? Ik bekijk hem van onder naar boven. Hij ziet er niet uit als een crimineel, meer als een leraar van school.
‘Ik ben van de politie.’
Hij houdt een kaart omhoog, maar van zo ver kan ik niet zien wat er op staat.
‘Je tante is veilig op het politiebureau. We zoeken je al de hele nacht.’
Ik durf weer adem te halen.
‘Hier ga maar zitten, dan kun je een beetje bijkomen van de schrik.’
Hij schuift een stoel onder de tafel vandaan. Even later krijg ik een glaasje water en mag ik zijn pasje van dichtbij bestuderen. Gert Kleinsma, rechercheur Holland Midden, 28 mei 1979. Hij kijkt streng op de foto. In het echt is hij meer een vriendelijke beer die nu naast mij komt zitten. Ik mag Gert zeggen.
‘Denk je dat je mij nu kunt vertellen waar je bent geweest vannacht?’ De rechercheur probeert mijn blik te vangen. Zijn ogen staan bezorgd. Ik besluit alles te vertellen, vanaf het moment dat ik met tante boodschappen ging doen. Als ik bij onze ontsnapping uit de tunnel ben aangeland, zie ik achter Gert iets bewegen. De rechercheur volgt mijn blik. Hij wil opstaan van zijn stoel maar Victor is sneller. Met een doffe klap landt een Afrikaans masker op het hoofd van de arme rechercheur. Hij glijdt langzaam van de stoel op de grond. Ik kniel naast hem neer. Gelukkig, hij haalt nog adem. Er zit bloed bij zijn oor. Boos kijk ik naar Victor.
‘Wat heb je nu toch gedaan? Hij is van de politie, sukkel.’
‘Hoe kon ik dat nou weten? Ik wilde je alleen maar redden.’
‘We moeten hulp halen. De man in de auto is ook van de politie. Ze hebben de hele nacht op ons zitten wachten. Tante zit op het politiebureau. Zij hebben haar computer gekraakt. Wat sta je me nu aan te kijken, ga die politieman waarschuwen.’
Gelukkig, dat zet Victor in beweging. Net als hij naar buiten wil lopen, gaat de telefoon. We kijken elkaar vragend aan. ‘Neem hem maar op Mara, anders krijgen we misschien nog meer problemen.’
‘Met Mara Nelemans.’
‘Dag Mara, met mama. Waar waren jullie gisteravond? Ik kon jullie maar niet bereiken. Ik heb goed nieuws. Vanavond vliegen we naar Nederland, is dat niet fijn? Ik ben zo blij, mag ik tante even spreken?’
‘Tante is niet thuis.’
‘Waar is Hetty dan?’
Wat moet ik zeggen zonder mama ongerust te maken? ‘Ze is op kantoor.’
’Op kantoor, het is zaterdag? Wat is er aan de hand Mara?’
‘Niets bijzonders, ze heeft het gewoon druk.’
‘Oké, vertel haar dan dat we om elf uur tien morgenochtend op Schiphol landen. We worden opgehaald. Ik zie je morgen lieverd.’
Ze heeft opgehangen. Victor kijkt me vragend aan.
‘Morgenochtend komen mijn vader en moeder terug uit Kathmandu.’
Waar waren we ook al weer gebleven? Klik hier.
Of wil je bij het begin beginnen? Klik dan hier.
‘Lieve mensen, we zijn hier vandaag om te vieren dat Marlies en Mark in het huwelijk zijn getreden. Helaas hebben zij door dit mooie feest geen geld meer over om op huwelijksreis te gaan. Daarom hebben we iets bedacht. We hebben jullie gevraagd spullen mee te brengen van je zolder of uit de berging. Wat voor de één waardeloos is, is voor de ander een buitenkansje. We gaan alles bij opbod verkopen. Dus mensen, biedt gul zodat dat lieve stel met elkaar op reis kan. En zeg nu zelf, het is toch handig om je voorraad nutteloze voorwerpen aan te vullen voor een volgend feestje?
Wat heb ik hier als eerste, een paar warme roze sokken. Zo te zien nog nooit gedragen. Wie biedt?’
Ik staar naar wat Theo voor ons in de hoogte houdt. Die sokken ken ik. Ik heb ze zelf gebreid voor mijn zus. Hoe kan dat nou, ze was er zo blij mee. Ik kijk rond of ik mijn zus ergens zie. Achterin de zaal staat ze tegen de muur geleund. Ik probeer haar blik te vangen. Gelukt, ze steekt haar hand naar me op.
Ondertussen blijft Theo maar door kletsen.
‘We beginnen met vijf euro. Daarachter in de zaal. Deze sokken zijn toch meer waard dan vijf euro. Heerlijk om je voeten in bed warm te houden. Hier wordt acht euro geboden. Kom op dames, niet iedereen is net getrouwd. Wie biedt er meer? ’
Ik blijf naar mijn zus staren. Ze laat haar arm weer zakken en kijkt van mij naar Theo. Ik zie dat er iets begint te dagen. Haar gezicht wordt langzaam rood.
photo credit: AnnaKika, Creative Commons
Heel lang geleden, ergens in een land hier ver vandaan, woonde een meisje. Devi was haar naam. Als Devi later groot was wilde ze danseres worden. Dan wilde ze de hele dag flamenco’s dansen, met haar hakken stampen op de vloer en keihard: ’Olé’, roepen. Ze begon al vast te oefenen. Ze danste alle dagen, dansten door straten, over pleinen en riep keihard: ‘Olé.’ Soms riep er iemand ‘Olé’, terug, soms begon er alleen maar een hond te blaffen.
Zo danste Devi het hele land door totdat ze op een plek kwam waar ze nog nooit was geweest. Verbaasd keek ze om zich heen. Het leek een bos maar dat was het niet. Het zag er heel anders uit dan het bos thuis. Er viel zacht licht op bloemen die bijna net zo groot waren als Devi zelf. Ze roken heerlijk. Devi stak voorzichtig haar hoofd in één van de bloemkelken. Aan dunne draadjes hingen druppels honing. Ze stak haar hand uit om een druppel te vangen. Ze legde hem op haar tong. Zoiets hemels had ze nog nooit geproefd. Er klonk nu ook zachte muziek.
‘Kan ik hier niet altijd blijven?’ Devi schrok van haar eigen stem
‘Nee, dat kan niet,’ zei de bloem, ‘maar je mag altijd terug komen als je moe bent van het stampen.’ En dat deed Devi. Af en toe zocht ze de bloem op en proefde een beetje van de honing die altijd lekker was. En zo danste Devi nog lang en gelukkig. Olé!