Er was eens een warme appeltaart. Hij kwam net uit de oven en geurde heerlijk. Je rook de zoete suiker, de frisse appel en de kruidige kaneel. De geurende appeltaart lag te wachten. Te wachten op mensen die hem nodig hadden. Voor iedereen was er een stukje. Een stukje dat precies paste bij wat hij of zij nodig had. Voor de één was dat het zoete om getroost te worden. Een ander ging het om de stukjes appel die smolten op de tong. Voor weer een ander was het warmte van het deeg, de gezelligheid en het gevoel samen iets te delen.
De mensen smakten en spraken met elkaar over de taart. Toen alles op was gingen ze blij en gevuld naar huis.
En de appeltaart? Die veegden zijn kruimels bij elkaar en dacht, heel alleen: ‘wat nu?’
‘Maar wacht eens, er is nog een stukje over. Gelukkig, want ik vind mezelf ook heel erg lekker. En morgen dan begin ik weer overnieuw en zet dan gelijk een stukje weg, want ook een appeltaart verdient troost en aandacht.’
Er was eens een klein takje aan een oude boom dat graag wilde leren vliegen. Want, als hij kon vliegen, kon hij de wereld zien voorbij het bos. Hij vroeg aan de andere takken hoe hij dat moest leren. Maar ze lachte hem uit.
‘Dom takje, we zitten allemaal vast aan de boom. We zullen nooit kunnen vliegen. Geniet er maar van als de wind waait. Dat is het beste wat je kan doen.’
Dat deed het takje een tijdje, genieten als de wind waaide en zijn blaadjes alle kanten op deed staan. Maar als de lucht blauw was en witte wolken voorbij dreven, kwam het verlangen terug. Kon hij daar maar hoog in die lucht zweven.
Op een dag, het was al herfst, streek een ekster neer in de boom en ging op het kleine takje zitten. De ekster was zwaar. Het takje moest er van zuchten.
‘Is er wat, takje?’ vroeg de ekster.
‘Je bent een beetje zwaar, ekster.’
‘Zal ik op een andere tak gaan zitten.’
‘Nee, doe dat niet. Wil je mij alsjeblieft flink vastpakken en proberen los te trekken. Ik wil graag leren vliegen.’
De ekster vond het wat vreemd maar hij begon te schudden aan het takje. ‘Hou op, hou op, stomme vogel,’ schreeuwden alle andere takken. ‘Zo raken we in elkaar verward.’
De ekster vloog op en ging op zoek naar een zwijgende boom.
De takken in de oude boom trilden hevig na. Was het van woede of was het van angst? Het takje wist het niet. Het leek hem beter het ook maar niet te vragen. Hij was zelf ook geschrokken van het schudden. Hij hing nu niet meer zo recht als eerst.
Die nacht stak er een storm op. De oude boom kreunde. De wind trok aan alle takken. Al snel waaiden de eerste vergeelde bladeren op de wind mee door de zwarte lucht. Het takje kon zijn eigen blaadjes bijna niet meer houden. Eén flinke ruk en daar vloog het takje, hoog boven de bomen. Het duurde maar even. Met een smak kwam hij terecht in de modder. Daar bleef hij liggen.
De zon kwam op en scheen over het bos, waar de oude boom in één nacht kaal was geworden. Een straal zonlicht viel op het takje dat niet ver van de boom op een pad lag. Een natte neus snuffelde aan het takje.
‘Wat heb je daar Benno?’ klonk een mensenstem. Het takje voelde dat hij werd opgepakt door een hand.
‘Goed gedaan Benno, dat ontbrak nog aan ons werkstuk.’ Het takje viel in een zak met dennenappels. Boven op die dennenappels en een zacht stukje mos zweefde hij het bos uit, de wijde wereld in.
De eerste lentezon valt op het terras achter in de tuin. Ik kijk boven uit het raam en bedenk dat ik eerst nog mijn werk af moet maken. Het is al zondag en mijn stukje voor mijn blog is nog niet af. Maar misschien is straks de zon verdwenen. Ik besluit van het moment te gaan genieten. Met een schoffel begin ik verdord blad en onkruid weg te werken. Ik maneuvreer voorzichtig rond de narissen en crocussen die hun kopjes laten zien. Na een uurtje ben ik tevreden en sleep de houten bank naar het terras. Met mijn ogen dicht zit ik in de zon. Zachtjes verwarmt hij mijn huid.
‘Zal ik thee zetten?’ klinkt het uit huis. “ja graag, kom je dan ook buiten zitten?’ Ik hoor een tijdje niets, wacht rustig af. Dit is volmaakt genieten.
Avontuurlijke vrouwen en een enkele man zoeken vanavond weer naar een geschikte partner in Boer zoekt Vrouw. In deze reeks zijn dat Nederlandse boeren die een bestaan hebben opgebouwd in het buitenland.
Maar geen van de deelnemers is zo avontuurlijk als mijn tante Roos. In de jaren vijftig vroeg de dominee aan haar en haar vriendinnen of ze wilden corresponderen met jongemannen in Holland, Michigan. De voorouders van deze jongemannen waren ooit vanwege het geloof vertrokken naar de Verenigde Staten. Ze spraken nog steeds Nederlands en wilden de taal bijhouden. Tante Roos schreef met ene Chuck Tanis en werd verliefd op zijn bloemrijke schrijfstijl. Het duurde niet lang of ze vertrok met de Holland Amerika Lijn naar haar droomprins. Zonder hem ooit in het echt te hebben gezien, zonder tijd te hebben gehad om hem beter te leren kennen, trouwden ze hem zodra ze voet zette aan wal in de Verenigde Staten.
Of ze gelukkig was? Dat was niet belangrijk. Roos en Chuck kregen negen kinderen en leefden lang en deugdzaam.
Waarom heb ik in godsnaam toch bedacht dat ik vandaag nog naar de tempel zou gaan? Het is al veel te laat, als ik terugloop is het vast donker. Het is ook veel te nat op het pad. Ik voel de modder aan mijn schoenen zuigen. De geur van de herfst hangt in de lucht: Dood en Verderf. Het is mistig en de toppen van de heuvels zijn nauwelijks te zien. Ik trek mijn jas wat dichter om me heen en stap wat steviger door. Daar is de brug al. Mijn linkervoet slipt bijna weg als ik op de natte planken stap. Aan de overkant volg ik de oever van de rivier. In de verte zie ik de tempel al liggen. In de mist lijkt het wel een ijspaleis. Ik had warm drinken mee moeten nemen en wat te eten. Ik bereid me ook nooit eens goed voor. Ik ben er nu bijna, alleen nog het paadje naar de deur.
In de tempel klinkt zachte muziek en ruikt het kruidig. Ik maak mijn sjaal los en doe mijn jas uit. Het is hier binnen helemaal niet koud. Door het raam in de dakkoepel zie ik de donkere lucht. Ineens trekt de hemel open en zacht licht van de maan schijnt naar binnen. Ik kijk eens rond. Er staat een bankje. In sierlijke letters staat op de leuning mijn naam geschilderd. Ik ga er op zitten. Het lijkt wel of er zilver over mij heen wordt gestrooid. Ik sluit mijn ogen en luister naar de stemmen die zacht zingen. Ik kan het niet verstaan, maar de betekenis is mij direct duidelijk: Vertrouw op de stem van je hart. Als de stemmen zijn uitgezongen, doe ik voorzichtig mijn ogen open. De kruidige geur komt uit een aardewerken kan. Er staat een beker naast en een schaal met brood en gedroogde vruchten. Ik neem wat van de warme wijn en eet ook wat van het fruit. Langzaam verspreidt warmte zich door mijn hele lijf. Ik krijg zin om aan de nieuwe week te beginnen. Tijd om naar huis te gaan. Ik neurie het lied van de stemmen als ik de berg afloop richting het dorp.
Ik lig in de sneeuw op mijn rug en kijk naar de wolken. Mijn hele kerstvakantie is verpest door die ruzie. Tweehonderd euro heeft hij er aan uitgegeven. Nou, dan ga ik morgen ook even knallen in de uitverkoop. Hoeveel paar schoenen kan ik eigenlijk voor dat geld kopen?
Er was eens een verpleegster die naar de godin van de jacht was vernoemd. Haar vader en moeder hadden verwacht een kind te krijgen met lange blonde lokken, lange benen en een stralende lach. Ze kregen Diana, een plomp meisje met sluik haar van een onbestemde kleur. Lachen deed ze niet veel. Ze schaamde zich voor haar tanden. Gelukkig viel er niet veel te lachen in haar leven. Haar leven was saai en voorspelbaar. Ze zorgde voor zieke mensen, sopte hun bedden en veegde hun billen schoon.
Het liefste was ze zangeres geworden. Ze had een goede stem. De kapelaan zette haar vooraan in het koor. De andere meisjes konden zich dan aan haar optrekken. Alleen, haar vader vond het geen goed idee. Zingen was niets voor nette meisjes, eerder iets voor sloeries zoals Debbie van de overkant. Nee, ze kon beter een fatsoenlijk beroep kiezen waar ze een redelijk inkomen mee kon verdienen. Ze was per slot van rekening niet de knapste. Diana begreep zelf ook wel dat een echtgenoot er voor haar niet zou inzitten. Niet dat Diana daar zo’n behoefte aan had toen ze een meisje was. Het leek haar helemaal niets om met een man in één bed te liggen. Ze had de geluiden gehoord die op zondagmiddag van boven kwamen als haar vader en moeder een dutje deden. Ze moest er niet aan denken die zelf te moeten maken.
Toen ze vijftien was ging ze naar het Sint Joseph ziekenhuis voor de opleiding. Het ziekenhuis had gelukkig een eigen zangkoor. Diana werd direct ingelijfd. Nog niet zo lang geleden had het koor zelfs een CD gemaakt met liedjes uit de jaren vijftig. De cover hing ingelijst aan de muur van haar appartement in het zusterhuis. En nu was het kerstavond. Het was stil in het complex, de anderen bewoners hadden dienst of waren afgereisd naar familie. De radio speelde zacht: I am dreaming of a white Christmas. Diana neuriede zachtjes mee. Ze keek naar de envelop in haar handen. Zou ze wachten tot na de kerst of haar nu open maken en gelijk de hele beker leegdrinken?
De brief begon zoals gebruikelijk met een dankwoord voor haar deelname aan de auditie. Dit keer voor een rol in de musical over het leven van de zingende non. Het vervolg was anders: We zijn zeer onder de indruk van uw uitvoering van Dominique en nodigen u uit om nadere afspraken te maken omtrent een contract. Ze rende naar het raam, opende het wagenwijd en haalde diep adem. De koude nachtlucht deed pijn aan haar longen, maar ze zette stevig in: I am dreaming of a white Christmas. Haar zang galmde over de parkeerplaats achter de flat. Een man keek schichtig naar boven en stapte snel in zijn auto. ‘Ben je soms bang voor een sloerie?’ riep ze hem na. Wat kon het haar schelen. Ze zou nog lang en gelukkig leven.