Een krokodil ontmoeten in je leven daar kun je wel wat steun bij gebruiken. Ik zal daarom een vriendje voor je tekenen. Alleen, ik ben niet zo goed in het tekenen van mensen. Ik denk dat het komt omdat ik er te veel heb gezien. Het is daarom deze kat geworden. Ook het tekenen van deze kat lukte niet in één keer. Ik heb ook veel meer katten gezien in mijn leven dan krokodillen. Gek dat dat het juist moeilijker maakt.
Zo, nu kunnen we in ieder geval verder met onze rondleiding. Eindelijk gaan we dan de trap op.
Nee wacht, kijk nog even door de linkerdeur. Dan zie je wat degene zien die met de klok mee gaan. Die denken niet na en nemen de linkerdeur naast de trap. Jij en ik weten nu wat ze missen. Onthou dus goed: Alles is goed zolang je het maar tegen de klok in doet. Maar we gaan verder.
Boven, aan het eind van de overloop boven staat een kast. Hij staat open en geeft een blik op een oneindige hoeveelheid mogelijkheden. Er zijn momenten dat ik de deur dicht moet doen. Dat is vooral ’s nachts het geval. De oneindige mogelijkheden voelen zich dan vergeten projecten en herinneringen en kunnen dan heftig om aandacht gaan vragen. Volgens mijn man liggen hier ook nog ergens de te declareren tandarts rekeningen tussen.
Je bent in de kweekkamer. Hier ontstaan mijn ideeën voor verhalen. Een kabelend beekje begeleidt muzikaal mijn gedachten. Soms heb ik meer zin in een ruisende zee onder de palmboom. Als je de kijker meeneemt naar de witte kast aan de andere kant van de kamer kun je naar de sterren kijken. Daar is het nu nacht. Stap maar over het bruggetje, maar let op er zit een krokodil tussen het riet. Meestal slaapt hij, maar helemaal zeker zou ik daar niet van zijn, als ik jou was.
Je vindt het gevaarlijk, een krokodil in huis? Voordat je het weet ben je een been of arm kwijt, zeg je?
Maar weet je, hij doet het niet expres. Kijk maar, zie je die tranen, hij heeft er spijt van. Dat noemen ze niet voor niets, hoor ik je zeggen, krokodillentranen.
Het zou heel goed kunnen dat je daarin gelijk hebt, maar zonder vertrouwen kom je nergens in de wereld.
Wat leuk dat je een kijkje komt nemen in mijn verhalenfabriek. Het is een oude fabriek, zoals je die wel meer ziet langs de Schie tussen Rotterdam en Delft. Je kunt aan de buitenkant niet zien wat er gemaakt wordt. De luiken zijn dicht, maar de poort staat open. Kom maar binnen.
Het is lekker koel in de hal en stil. Boven aan de trap staat een deur open. Licht straalt naar buiten en lijkt je welkom te heten, maar eerst gaan we door de deur rechts. Daar achter is namelijk de kweekkamer voor ideeën. En die moet je als eerste zien.
Het midden van het zomerreces is bereikt. Ik ben bijna de enige op kantoor. Elk karweitje rek ik op zodat ik de hele dag wat te doen heb. Mijn la met hangmappen is opgeruimd. De planken in de kast zijn afgestoft en oude dossiers weggegooid. Ik ben nu bezig met de digitale stofnesten van de griffie. Deze vallen minder op maar zijn in een jaar tijd aanzienlijk geworden.
Echt boeiend is het werk niet. Ik dwaal daarom digitaal een beetje rond. Zo kom ik uit bij informatie over slakken. In mijn tuin leven een heleboel slakken. Nadat ik de strijd tegen de slakken heb opgegeven ben ik me gaan afvragen wat voor leven slakken leiden. Wat slakken eten weet ik al, mijn hosta’s. Maar verder weet ik niets van slakken. Zo vond ik nogal veel lege slakkenhuisjes in de tuin. Ik stelde me voor dat zo’n slak uit zijn huisje gegroeid was en op zoek was gegaan naar een ruimere woning. Maar wat blijkt, een slakkenhuis is het externe skelet van een slak. Beetje treurig verhaal wordt het zo. Want wat ik vind in mijn tuin dat zijn de laatste resten van wat ooit een slak was. De slak is al lang dood. Hij heeft dan ook nog eens een niet erg opwindend leven achter de rug. Een seksleven van enige naam hebben slakken niet. De slak is tweeslachtig, sommige soorten slakken hebben niet eens partner nodig om zich voort te planten.
Nog even en dan is het weer september.
De kranten stonden enige tijd geleden vol met spotprenten van de voormalige directeur van de ANWB, meestal afgebeeld met een hoofd vol pleisters. Er was veel ophef ontstaan over zijn aanstaande benoeming als nationale ombudsman door de Tweede Kamer. In die tijd speelde in onze gemeenteraad ook een benoeming, een stuk minder spectaculair. Het ging om de benoeming van een lid en een plaatsvervangend lid voor de commissie van beroep en bezwaar van de gemeente.
Baropbrengsten
We hebben al enige tijd een afspraak hoe we met benoemingen om gaan. Onze raad wil graag zorgvuldig omgaan met de kandidaten. Als het college een voorstel voor een benoeming naar de griffie stuurt, zetten we het voorstel en de cv’s op een alleen voor raadsleden toegankelijk gedeelte van het Raadsinformatiesysteem (RIS). De raadsleden krijgen enkele dagen de tijd om van het voorstel kennis te nemen. Als er een probleem rijst met een benoeming, maakt niet uit wat, dan komt het voorstel via een van de fractievoorzitters op tafel in het seniorenconvent. Tot nu toe is dat nog nooit nodig geweest.
Het idee hierachter is dat het vervelende consequenties kan hebben voor een kandidaat als zijn of haar naam al op straat ligt maar de raad bedenkingen heeft bij een benoeming. Geen idee wat er zou moeten gebeuren als een raadslid meldt dat een kandidaat bijvoorbeeld bij zijn tennisclub de baropbrengsten heeft meegenomen. Ik stel me voor een stevig gesprek in het seniorenconvent waarbij gewogen zal worden wat de relatie is tussen het vergrijp en de nieuwe functie. Een eventuele spijtbetuiging of een boete die is voldaan, zal ook een rol spelen.
Mooie werkwijze
Ik vond dit een mooie werkwijze, maar de kwestie rond de benoeming van de ombudsman bracht een stroom aan gedachten bij mij op gang.
Zie je wel, zoals wij het doen is zo gek nog niet. In ieder geval was dan voortijdig boven tafel gekomen dat er in het verleden iets gebeurt was dat de te benoemen persoon nog kwalijk werd genomen. Maar is dat wel zo? Zo’n 150 kamerleden moeten toch ook voelhorens in de samenleving hebben? Hebben raadsleden echt zoveel kennis van hun gemeente dat ze verkeerde kandidaten er wel uit kunnen filteren? En is het wel democratisch om achter gesloten deuren over een belangrijke benoeming te beslissen? Kandidaten van dat niveau moeten tegen een stootje kunnen, toch?
Na even wat langer nagedacht te hebben, realiseerde ik mij dat ook onze procedure Guido niet had gered. Ook onze gemeenteraad besluit, net als de Tweede Kamer, in openbaarheid over een benoeming. Uiteindelijk ligt de naam van de kandidaat toch op straat en had voor de raadsvergadering ophef over kunnen ontstaan. Toch was er een moment geweest dat onbekende feiten uit zijn of haar verleden op tafel waren gekomen en een discussie in de openbaarheid hierover was voorkomen of dat er een antwoord op was. Reputatieschade was voorkomen of in ieder geval van een goed weerwoord voorzien.
Twee stellingen
Eigenlijk is, zoals wij het doen zo gek nog niet, was mijn eindconclusie. Maar ik ben benieuwd naar de jouwe. Ik heb daarom twee stellingen bedacht.
1. Het is democratischer alles in de openbaarheid te doen. Kandidaten moeten van onbesproken gedrag zijn, ze gaan per slot van rekening belangrijk werk doen.
2. Je kunt beter in beslotenheid het over kandidaten hebben. Anders is straks niemand meer bereid een openbare taak op zich te nemen. Iedereen heeft wel een smetje.
Omdat het om politiek gaat, kun je hieronder je stem uitbrengen.
Sinds donderdagavond heb ik ruimte voor maar één ding. Van uur tot uur volg ik het nieuws en probeer een beeld te krijgen van wat er gebeurt is en het te begrijpen. Het lukt me niet er los van te komen.
Het lukt me niet om er een afgeronde gedachte over op papier te krijgen. Alles klinkt misplaatst of is door een ander al beter verwoord.
Het blijft stil in mijn hoofd.
Op de fiets op weg naar huis van mijn werk luister ik altijd naar de radio. Deze weken is dat een regelrecht feest. Aan het eind van de middag krijg ik een rechtstreeks verslag van de laatste kilometers van de etappe van die dag. Na de bekende jingle volgt altijd een opgewekt nummer. Dat trapt lekker door langs de weilanden en de schapen, terwijl de renners bezig zijn met een laatste beklimming. Er zijn nog meer mogelijkheden om van de Tour de France te genieten, zelfs al geef je niet om wielrennen.
1. De mooie landschappen
Op een vrije dag, een druilige zondag, kijk ik naar het verslag van een etappe op de televisie. Ik zie de renners dan door prachtige landschappen rijden en denk aan vakanties. Blijkbaar ben ik niet de enige. De beelden van de startplaats vorig jaar op Corsica leidde er toe dat de hotels er dit jaar er meer dan volgeboekt zijn. Zelf vind ik de alpenritten het mooist om naar te kijken.
2. De rust
Het kijken naar een touretappe is rustgevend. Heel vaak ben ik er heerlijk bij in slaap gevallen. De beelden van groen golvend landschap met slierten van wielrenners. Het eentonige geluid van een helikopter. Het gekibbel tussen twee mannen op de achtergrond. Het lange wachten tot er iets gebeurt. Het maakt mijn ogen zwaar.
3. Het drama
Wielrennen is als een Grieks drama. In het klein is er de strijd onderling tussen de renners of binnen een ploeg. De super fitte knecht die zich moet inhouden omdat de kopman in de koers moet blijven. De titelverdediger die met onverklaarbare materiaalpech te maken krijgt of simpelweg ten val komt. In het groot zijn er de dopingaffaires, met sponsors die zich niet meer willen verbinden met een wielerploeg en de bekentenissen van helden zoveel jaar na dato.
4. De helden
Want het zijn helden, voorbeelden voor menig jongetje op zijn fiets in de polder. Zelf had ik neven die fanatiek aan wielrennen deden. Ik kwam als kind dus weleens op een wielerparcours. Maar wat moet een meisje? Ik had al snel in de gaten dat de rol van ronde miss niet voor mij weggelegd was. Ik was geen schattig kind. Mijn held was Keetie Hage. Tegenwoordig juf Keetie en voorgangster van Leontien van Moorsel en Marianne Vos.
5. Het leven
Wielrennen is als het leven zelf. Een beetje wielrenner is daarom al snel een filosoof. Een paar hebben er boeiend over geschreven. Het beste boek over wielrennen vind ik De Renner van Tim Krabbe. Maar je kunt je ook beperken tot het bekijken van de Avondetappe. De beschouwingen met renners en andere gasten gaan verder dan alleen fietsen.
Het ambtelijk apparaat zal deze opdracht verder uitwerken.
Gruwelijk vind ik zo’n zin. Alsof ambtenaren mechanisch hun werk doen. Toch is het een heel gebruikelijke uitdrukking ook onder ambtenaren zelf.
Zelf gebruikte ik die uitdrukking ook jarenlang. Ik was er aan gewend totdat onze gemeentesecretaris in Vlaardingen, Jan Brinkman, er mij op wees dat ik er mee zeg dat de ambtelijke organisatie een machine is. Je stopt er wat in en na wat gepruttel en oplichtende lampjes komt er ergens anders wat uit. Als je geluk hebt, iets waar je om gevraagd hebt.
Sinds ik dat beeld voorgeschoteld kreeg, lukt het me niet meer om ambtelijk apparaat uit mijn mond te krijgen. Meestal moet ik ook als iemand de uitdrukking gebruikt er iets van zeggen. Het doet pijn aan mijn oren.
Volgens de woordenboeken betekent apparaat machine of toestel. Ik heb ook een betekenis gevonden als het woord apparaat gebruikt wordt om organisaties aan te duiden:
Bij organisaties is een apparaat met als onderdelen de personen en hulpmiddelen die nodig zijn voor het doen functioneren van een instelling of het verrichten van een taak.
Niet een beschrijving waar je warm van wordt, als ik hem al begrijp. Ik krijg er in ieder geval niet het gevoel bij dat in een ambtelijk apparaat mensen met passie en ambitie aan de slag zijn om het beste er uit te halen. Ik geef toe dat is ook niet wat buitenstaanders verwachten bij ambtenaren. Maar ik kan zeggen uit ervaring dat mijn collega’s elke dag hard hun best doen voor iets waar ze in geloven.
Een beetje meer trots zou ons ambtenaren best passen. Dat moet in ons taalgebruik tot uitdrukking komen.
Van de week fietste ik een andere route naar mijn werk en kwam zo voor mij op onbekende plekken in Zoetermeer. Midden in de stad, langs de Zegwaartse weg leek het of ik een vakantietochtje maakte. Het is was er prachtig, niet voor niets was er ook een bed & breakfast gevestigd. Dicht bij huis is veel moois te beleven
Ik woon al heel lang in Zuid-Holland. Eerst in Leiden en dan via Rotterdam en Vlaardingen, uiteindelijk in Pijnacker. Veel langer dan ik ooit in Brabant heb gewoond. Toch zeg ik dat ik een Brabantse ben. Ik heb trouwens nog nooit iemand horen zeggen dat hij of zij een Zuid-Hollander of Zuid-Hollandse is. Je bent een Leienaar, een Katwijker of een Rotterdamse. Sommige mensen noemen zich Hollander maar dan bedoelen ze toch iets anders dan dat ze inwoner zijn van de provincie Zuid of Noord Holland.
In Zuid-Holland bestaat niet echt een gevoel van een gedeelde regionale achtergrond. Het gevoel dat ik bijvoorbeeld deel met vele andere Brabanders. Als ik iemand met een Brabants accent hoor spreken voel ik me direct thuis, alsof iemand met een zachte g altijd aardig is. Meestal wel trouwens.
Zeeuwen, Limburgers en Drenten zullen dat gevoel onderling ongetwijfeld ook hebben. Over Friezen ga ik het niet eens hebben.
Wat is dat toch met Zuid-Holland? Zou het komen omdat het een gekunsteld gebied is. Pas in 1840 werd de provincie Holland opgesplitst in twee delen, noord en zuid. Het kan ook zijn dat de dichtstbevolkte provincie van Nederland vooral gevuld is met mensen die overal vandaan zijn gekomen om er te studeren of te werken. De verstedelijk maakt dan dat je je vooral wereldburger voelt. Of zou het komen dat al die wereldburgers die zijn komen aanspoelen in de randstad, vasthouden aan hun wortels om zich nog enigszins te onderscheiden?
Ik zou het wel eens van een echte Zuid-Hollander willen horen, er is genoeg om trots op te zijn.