Ik had een fantastisch idee voor een blog. Alleen, nu ik het op wil schrijven ben ik het kwijt. Ik kreeg het idee donderdagochtend onder de douche. Onder de douche krijg je trouwens de beste ideeën. Dit keer was het naar aanleiding van een stukje dat ik las in de krant. Ik had zelfs al een titel bedacht.
Ik dacht, misschien helpt het als ik weer onder de douche ga staan en niet teveel probeer naar te denken. Maar er kwam niets boven drijven, het bleef helemaal leeg in mijn hoofd. Later heb ik het artikel er bij gezocht, misschien dat dan de mist zou oplossen. Het was een aardig artikel maar geen idee welke briljante gedachte ik er bij had gehad.
Het artikel ging over een methode voor timemanagement, bedacht in een Toyota fabriek: Personal Kaban. To do lijstjes hebben de neiging alsmaar langer te worden met stress tot gevolg. Die lijstjes moeten dus anders. De methode komt er op neer dat je maar met drie taken op je to do lijstje mag hebben. Ik heb het donderdag maar gelijk toegepast op mijn werk. Aan het eind van de dag had ik een voldaan gevoel. Toch knaagt er nog iets. Ik denk dat ik aan vakantie toe ben, nog 12 nachtjes slapen.
Het valt met bakken uit de lucht. Ik zei nog tegen onze Cor:
‘Vandaag gaan we niet hoor, wat kan mij die medaille schelen.’
Cor wilde daar niets van weten. Dus zit ik in mijn natte goed de hele rit uit. Er staat ook nog een nare wind als we langs de kantoren rijden. Morgen ben ik verkouden. Ja, duw jij je ouwe moeder maar lekker Corretje. Werk je maar in het zweet. Hoe meer je transpireert, hoe heiliger je voelt. Kijk eens hoe lief ik voor mijn moedertje ben. Alles voor de buitenkant bij onze Corry. Normaal komt ze nooit eens langs. Maar in de week van de rolstoelvierdaagse weet ze haar moeder weer te vinden. Allemaal om indruk te maken op die voorzitter van het Rode Kruis. Als ze straks niet kijkt, duw ik mijn wagentje tegen meneer zijn schenen.
Gelukkig, we zijn bijna bij de finish. Nee zeg, wie heeft Cor nu weer overgehaald om ons op te wachten met bloemen? Het is die valse zuurpruim uit de Vivaldistraat. Dat wordt gezellig koffiedrinken en eindeloze verhalen aanhoren over al haar kwalen.
Het was een druk weekje. Gelukkig zijn alle festiviteiten voorbij en hebben we tijd om mijn verjaardag in huiselijke kring te vieren. Het vierkante pak dat Max me voorzichtig in de handen drukt, vertelt me niet veel over wat er in zit. Dat is jammer, want Max houdt angstvallig mijn gezicht in de gaten. Ze wil direct mijn reactie peilen en ik stel haar niet graag teleur. Max is wat dat betreft zo gevoelig. Dat komt door haar Argentijnse roots. In dit kikkerlandje zijn we ook veel te eerlijk voor haar. Ik trek het papier los en sta direct voor een raadsel, een citruspers. Wat wil ze me daar nu mee zeggen?
‘Moet ik daar soms de appeltjes van Oranje mee uitpersen?’ grap ik. De meiden lachen met me mee. Al draait Amalia met haar ogen. Alsof ze wil zeggen: ‘foute grap, pap.’
‘Nee,’ briest mijn lieftallige echtgenote, ‘nu doe je weer een beetje dom. Ik zou zo graag willen dat jij weer eens, net al vroeger, een ontbijtje voor me maakt in plaats van het personeel.’
Schrijfopdracht werkgroep Proza (bibliotheek Zoetermeer)
Stap 1: Associeer op een voorwerp uit de keuken
Stap 2: Stel je voor Willem Alexander krijgt dit voorwerp cadeau voor zijn verjaardag, schrijf vanuit zijn gezichtspunt een kort verhaal
Eentje uit de oude doos en ook weer niet. Vijf jaar geleden schreef ik over een vrolijk paasliedje. Ik leerde het ooit op de lagere school. Ik herinnerde me alleen het eerste couplet. Voor mij spat de vreugde over dat het lente is er vanaf. Een paar weken geleden stuurde iemand mij alle coupletten toe. Een klein wonder na al die tijd. Het blijkt een religieus getint liedje te zijn. Dat had ik natuurlijk kunnen weten met dat alleluja.
’t is Pasen, zei de vink
en sloeg een liedje van plezier
en de merel op het dak,
in zijn allerbeste pak,
zong ook al dat het Pasen was
van tiere liere lier.
En de klokken luiden luid
boven alle vogels uit.
’t Is Pasen, Alleluja.
’t Is Pasen, zei de wind
en blies de wolken op de vlucht,
en het zonnetje dat scheen
dwars door alle nevels heen.
De bloemen staken overal
hun kopjes in de lucht.
Alle dingen werden blij
want de droefheid ging voorbij.
’t Is Pasen, Alleluja.
’t Is Pasen overal,
voor alle mensen klein en groot,
en met Pasen ieder jaar,
dan vertellen wij elkaar
dat Jezus wonderbaarlijk
is verrezen van de dood.
Hij kocht alle mensen vrij
van de zond en slavernij.
’t Is Pasen, Alleluja.
Er was eens een warme appeltaart. Hij kwam net uit de oven en geurde heerlijk. Je rook de zoete suiker, de frisse appel en de kruidige kaneel. De geurende appeltaart lag te wachten. Te wachten op mensen die hem nodig hadden. Voor iedereen was er een stukje. Een stukje dat precies paste bij wat hij of zij nodig had. Voor de één was dat het zoete om getroost te worden. Een ander ging het om de stukjes appel die smolten op de tong. Voor weer een ander was het warmte van het deeg, de gezelligheid en het gevoel samen iets te delen.
De mensen smakten en spraken met elkaar over de taart. Toen alles op was gingen ze blij en gevuld naar huis.
En de appeltaart? Die veegden zijn kruimels bij elkaar en dacht, heel alleen: ‘wat nu?’
‘Maar wacht eens, er is nog een stukje over. Gelukkig, want ik vind mezelf ook heel erg lekker. En morgen dan begin ik weer overnieuw en zet dan gelijk een stukje weg, want ook een appeltaart verdient troost en aandacht.’
Er was eens een klein takje aan een oude boom dat graag wilde leren vliegen. Want, als hij kon vliegen, kon hij de wereld zien voorbij het bos. Hij vroeg aan de andere takken hoe hij dat moest leren. Maar ze lachte hem uit.
‘Dom takje, we zitten allemaal vast aan de boom. We zullen nooit kunnen vliegen. Geniet er maar van als de wind waait. Dat is het beste wat je kan doen.’
Dat deed het takje een tijdje, genieten als de wind waaide en zijn blaadjes alle kanten op deed staan. Maar als de lucht blauw was en witte wolken voorbij dreven, kwam het verlangen terug. Kon hij daar maar hoog in die lucht zweven.
Op een dag, het was al herfst, streek een ekster neer in de boom en ging op het kleine takje zitten. De ekster was zwaar. Het takje moest er van zuchten.
‘Is er wat, takje?’ vroeg de ekster.
‘Je bent een beetje zwaar, ekster.’
‘Zal ik op een andere tak gaan zitten.’
‘Nee, doe dat niet. Wil je mij alsjeblieft flink vastpakken en proberen los te trekken. Ik wil graag leren vliegen.’
De ekster vond het wat vreemd maar hij begon te schudden aan het takje. ‘Hou op, hou op, stomme vogel,’ schreeuwden alle andere takken. ‘Zo raken we in elkaar verward.’
De ekster vloog op en ging op zoek naar een zwijgende boom.
De takken in de oude boom trilden hevig na. Was het van woede of was het van angst? Het takje wist het niet. Het leek hem beter het ook maar niet te vragen. Hij was zelf ook geschrokken van het schudden. Hij hing nu niet meer zo recht als eerst.
Die nacht stak er een storm op. De oude boom kreunde. De wind trok aan alle takken. Al snel waaiden de eerste vergeelde bladeren op de wind mee door de zwarte lucht. Het takje kon zijn eigen blaadjes bijna niet meer houden. Eén flinke ruk en daar vloog het takje, hoog boven de bomen. Het duurde maar even. Met een smak kwam hij terecht in de modder. Daar bleef hij liggen.
De zon kwam op en scheen over het bos, waar de oude boom in één nacht kaal was geworden. Een straal zonlicht viel op het takje dat niet ver van de boom op een pad lag. Een natte neus snuffelde aan het takje.
‘Wat heb je daar Benno?’ klonk een mensenstem. Het takje voelde dat hij werd opgepakt door een hand.
‘Goed gedaan Benno, dat ontbrak nog aan ons werkstuk.’ Het takje viel in een zak met dennenappels. Boven op die dennenappels en een zacht stukje mos zweefde hij het bos uit, de wijde wereld in.
De eerste lentezon valt op het terras achter in de tuin. Ik kijk boven uit het raam en bedenk dat ik eerst nog mijn werk af moet maken. Het is al zondag en mijn stukje voor mijn blog is nog niet af. Maar misschien is straks de zon verdwenen. Ik besluit van het moment te gaan genieten. Met een schoffel begin ik verdord blad en onkruid weg te werken. Ik maneuvreer voorzichtig rond de narissen en crocussen die hun kopjes laten zien. Na een uurtje ben ik tevreden en sleep de houten bank naar het terras. Met mijn ogen dicht zit ik in de zon. Zachtjes verwarmt hij mijn huid.
‘Zal ik thee zetten?’ klinkt het uit huis. “ja graag, kom je dan ook buiten zitten?’ Ik hoor een tijdje niets, wacht rustig af. Dit is volmaakt genieten.